Het doek valt. Er heerst een ijzige stilte, slechts langzaam doorbroken door het tikken van de herfstregen op het dak. De glazen staan verdeeld op de tafel, veertig in totaal, voor ieder vier. We hebben geproefd en gespuugd, het oordeel is geveld. Het uur van de waarheid nadert. Welke wijnen gaan schuil achter welk glas? Nerveus zit ik op mijn stoel, in principe had ik een voorsprong, ik kocht de wijnen, maar iemand anders schonk ze in.

Eerst een vragenrondje over het druivenras. Ik ben ervan overtuigd dat het een tempranillo is. We proeven bekende rassen. Alle rassen doen de ronde: pinot noir, sangiovese, merlot, maar geen tempranillo. Ga ik een debuut maken? Als laatste zeg ik zonder blikken of blozen: ’Geen twijfel dit is een tempranillo.’ We lopen het proefformulier door en alle kenmerken gaan goed tot de wijn wordt onthuld: het is een pinot noir

Teleurgesteld haal ik diep adem. Hoe kan ik nou zo’n fout maken? Pinot noir is licht doorschijnend en ruikt naar stallucht. De mij bekende aardse boerenmest kan ik in dit glas niet ontwaren. Daardoor ben ik misleid en het vierde glas was ook licht van kleur. Ik geef toe deze wijn was te donker gekleurd om een pinot noir te kunnen zijn. Het laatste glas was overigens een sangiovese.

We proeven de wijnen systematisch en omschrijven onze waarnemingen op een proefformulier. In het proeven gaat hem om het herkennen van de aroma’s zoals fruit, groene vegetale luchten of aardse kernmerken. Of Ik waan mijzelf op een groot koloniaal schip op weg naar landen van kruidige specerijen en herken het hout van een oud sigarenkistje.

Deze wijnen laten me opnieuw verrassen, want er valt zoveel in te ontdekken. Maar het uur van de waarheid heeft gesproken. Ik had slechts twee van de acht wijnen goed, een dikke onvoldoende. Even slikken, maar fouten zijn er om van te leren zeg ik moralistisch tegen mijzelf. Langzaam begin ik het te begrijpen: hoe meer ik over wijn weet, hoe moeilijker het wordt.